Lijst Verklarende Hebreeuws/Jiddische woordenlijst

 Ook enkele Nederlandstalige woorden zijn voor de overzichtelijkheid in deze lijst opgenomen.

 

  • aanzinden: aansteken van het sabbatlicht; vgl.: anzinden, ansinden.
  • Ab, een treur- en vastendag ter herinnering aan de verwoesting van de tempel.
  • Adar- twaalfde maand van het joodse jaar
  • aggenebbiesj: uitroep van medelijden; vgl. ook: oggenebbisj.
  • almemmer: soort podium in de synagoge.
  • Amoed- lessenaar voor voorzanger in synagoge
  • Amoedkleed- kleed voor de lessenaar van de voorzanger
  • anbis: vgl. ambis(s) en aanbijt; de eerste maaltijd na een vastendag.
  • Aramees- zustertaal van Hebreeuws
  • Arke: de heilige Ark(e) is de kast waarin de wetsrollen staan.
  • Aron hakodesj- kast voor Torarollen in synagoge
  • Asjkenazische Joden- Hoogduitse joden, uit Midden- of Oost-Europa
  • Av- vijfde maand van het joodse jaar
  • Babylonische ballingschap- ballingschap van joden in Babylon sinds 586 voor de algemene jaartelling
  • ba-lailo: in de nacht.
  • Bar mitswa- religieuze meerderjarigheid van joodse jongen
  • Bat mitswa- religieuze meerderjarigheid van een joods meisje
  • Bar-mitswo: bar mitswo (al dan niet aan elkaar geschreven) betekent letterlijk: zoon van het gebod; een jongen van 13 jaar wordt dan in religieus opzicht meerderjarig.
  • Begraafplaats- Op een joodse begraafplaats mogen graven niet geruimd worden.
  • Begrafenis- Een joodse begrafenis vindt liefst binnen 24 uur na overlijden plaats.
  • Begrafeniskom- kom voor rituele reiniging bij joodse begrafenis
  • Begrafenisregister- register van joodse begrafenissen
  • Besamiemhouder- bus met specerijen gebruikt bij afsluiting van sjabbat
  • Besnijdenis- het besnijden van de voorhuid van een joods jongetje
  • Besnijdenisattributen- instrumenten gebruikt bij besnijdenis
  • Besnijdersdiploma- diploma van bevoegd besnijder
  • Bijkerk- kleine joodse gemeente
  • Bileam: bijbelse figuur die door vijanden van de joden werd omgekocht om een vloek over hen uit te spreken, maar toen door een engel werd gedwongen juist een zegening uit te spreken.
  • Bima- verhoogd platform in synagoge
  • Bimakandelaar- kandelaar op rand van bima
  • Bimakleed- kleed op tafel op bima
  • Boroech Habo: gezegend hij die komt, welkom.brooges: zegenwensen, lofzeggingen.
  • Bruidsgordel- gordel die bruid en bruidegom symbolisch aan elkaar verbindt
  • Burgerlijke gelijkstelling- joden kregen in ons land in 1796 burgerrechten
  • Chalitsaschoen- schoen bij chalitsaceremonie
  • Challe- gevlochten sjabbatbrood
  • Challekleedje- kleedje voor over challe
  • Challeschaal- schaal waarop challe ligt
  • Chanoeka: Inwijdingsfeest; duurt acht dagen; wordt gevierd ter herdenking van het weer inwijden van de Tempel, nadat de Maccabeeën in het jaar 163 v. Chr. Jeruzalem hadden heroverd en met behulp van een wonderbaarlijk oliekruikje de tempelluchter acht dagen lang brandend wisten te houden.
  • chanoeka-ijzer: vgl. chanoekia; gewoonlijk van koper vervaardigde lamp of

    kandelaar met, behalve een bakje voor het aansteken (de sjammes of dienaar), acht aparte oliebakjes, die één voor één worden ontstoken, totdat op de achtste dag alle lichtjes tegelijkertijd branden.

  • Chanoekia- kandelaar voor Chanoeka
  • Chazan- voorzanger in synagoge
  • Chesjvan- achtste maand van het joodse jaar
  • Chewra kadiesja Gemiloeth Chassadiem- begrafenisvereniging
  • Choepa- joodse huwelijksceremonie
  • Couheiniem: eigenlijk Couhaniem; degenen die de gemeente zegenen en beschouwd worden als de afstammelingen van de hogepriester Aäron.
  • Dajan: rabbinaal rechter.doegenen: zegenen, de zegen uitspreken.
  • Diaspora- joodse ballingschap
  • Elia: vgl. het bijbelverhaal (2 Kon. 2:11) over deze profeet, die zich op een met paarden bespannen vurige wagen naar de hemel zou hebben begeven; zijn terugkeer naar de aarde zou voorafgaan aan de komst van de Messias.
  • Eliabeker- beker voor de profeet Elia, als onverwachte gast
  • Eloel- zesde maand van het joodse jaar
  • Elij(e)nowe: de profeet Elia.
  • Erets Jisrool: vgl. Erets Jisroeil, het land Israël.
  • Estherrol- bijbelboek Esther
  • Etrog- citrusvrucht gebruikt bij Soekot
  • Ets Haim- (bibliotheek van het) Portugees-Israëlietisch Seminarium
  • Gabai- penningmeester of bestuurder van synagoge

    Gadalje: vgl. Gedalja; tijdens de Babylonische gevangenschap als landvoogd van Judea gedood en als martelaar herdacht met een vastendag.garouses: mengsel van appels, amandelen, kaneel, rozijnen en wijn.gassene: bruiloft.

  • gattes: armoedzaaier, schooier.

  • gazan: vgl. gazzen; voorzanger; trad in kleine gemeentes ook op als rebbe ofwel godsdienstleraar.

  • gazzer: varken, varkensvlees; vgl. ook gazzer(tje): viespeuk, zwerver, deugniet.

  • Gebedenboek- boek met joodse gebeden
  • Gehinne: vgl. ook Ge-hinnom, het Gehenna, het Dal van Hinnom; benaming voor de hel.

  • Gemoore: vgl. ook Gemara; benaming voor de later aan de Misjna toegevoegde commentaren uit de Talmoed; ook gebruikt als benaming voor de gehele Talmoed (zie aldaar)

  • gewre: vereniging, met name voor bijbelstudie

  • giebette-keewe: grote ellende, zware beproeving; de letterlijke betekenis gaat terug op het tuchtigen van de zondaars in hun graf.

  • Gillel Hasjem: vgl. ook gille hasjeim; verbastering van chilloel hasjeim: het schenden van Gods naam, iets schandelijks doen.
  • Gode: afkorting van Hagodo/Hagada; zie aldaar.gojsche: niet-joodse.gomets: het gezuurde brood dat op Pesach niet gebruikt mag worden.

  • gommesj: vgl. chommesj; boek waar de Tora in staat.

  • goosen: bruidegom; goosen Touro betekent: bruidegom der Wet, d.w.z. degene die een bepaalde rol mag vervullen bij Simchas Touro ofwel het feest Vreugde der Wet.

  • Groote Verzoendag: zie bij Joum-Kippoer.hafdolo: scheiding, afscheid; vgl. de afsluiting van de sabbatviering, waarbij behalve specerijen ook een speciale kaars en een speciale beker worden gebruikt.

  • Hagada: vgl. Hagodo; in het algemeen: verhaal, voordracht; het boekje waaruit op Seideravond wordt voorgelezen en waarin het verhaal over de uittocht van de joden uit Egypte centraal staat.

  • Haftara- afsluitende lezing uit bijbeldeel Profeten
  • Hagada- Pesachverhaal
  • Halacha- joods-religieuze wetgeving
  • Haskala- joodse Verlichting
  • Havdala- rituele afsluiting van sjabbat of feestdag
  • Havdalastel- attributen voor de havdalaceremonie
  • Hebreeuws- Semitische taal waarin onder meer Tenach geschreven is
  • Hechsjer- koosjerverklaring
  • Hoofdsynagoge- leidende joodse gemeente
  • Huissynagoge- synagoge in woonhuis
  • Ijar- tweede maand van joods jaar
  • Ivriet- Hebreeuwse term voor Modern Hebreeuws
  • Jaartijd- jaarlijkse herdenking van een sterfdag
  • Jaartijdkalender- kalender met jaartijd volgens joodse jaarindeling
  • Jaartijdlicht- licht dat onderdeel uitmaakt van rouwgebruiken
  • Jad- hand; aanwijshandje bij voorlezen uit Tora
  • Jiddisj- taal van asjkenazische joden
  • jikdal: tekst met geloofsartikelen; ook gereciteerd bij een stervende, maar eigenlijk geen treurzang.

  • Jom Hasjoa- herdenkingsdag van in WO II vermoorde joden
  • Jom Haätsmaoet- Israëlische onafhankelijkheidsdag
  • Jom Kipoer- Grote Verzoendag
  • jomtof: joodse feestdag; vgl. ook: joumtouf.
  • Joods Nationaal Fonds- fonds voor bos- en landbouwprojecten in Israel
  • joodse school: hier met name de plaats waar joodse kinderen op zondagen godsdienstonderwijs kregen.

  • Joum-Kippoer: vgl. Jom Kippoer ofwel Grote Verzoendag; laatste vierentwintig uur van een periode van inkeer, al vastend in de synagoge doorgebracht.

  • kaddisj: een lofprijzing van God; speciaal uitgesproken ter nagedachtenis van een overledene.

  • kasjroeth: het geheel van de bepalingen inzake eten en drinken.

  • keppeltje: kalotje, kapje als hoofdbedekking.

  • Ketoeviem- Geschriften, het derde deel van Tenach
  • kiddisj-beker: ter inwijding van de sabbat en feestdagen nemen alle gezinsleden een teug uit een speciale beker met wijn.kiesjelies: koekjes ofwel gebak bij Poerim.

  • kille: joodse gemeente.

  • Kislev- negende maand joods jaar
  • Kol Nidrei: alle geloften; beginwoorden van het lied dat gezongen wordt op Grote Verzoendag.

  • koosjer: geoorloofd, rein volgens de joodse spijswetten.

  • Kohaniem- joodse priesters

  • Kol Nidree- gebed op Jom Kipoer
  • Koosjer- ritueel geoorloofd
  • Koosjerloodje- loodje bevestigd aan koosjere vleesproducten
  • Koosjerstempel- stempel op koosjere zuivelproducten
  • Korach: bijbelse figuur die zich samen met anderen tegen Mozes en Aäron keerde en als straf door de aarde werd verzwolgen.kowed: eer, prestige.

  • krieje: scheur in de kleding als teken van rouw.laajenen: op zangerige toon voordragen van heilige teksten.lawaaje: begrafenis; eigenlijk: lewaje.

  • Lego doudie likras kallo...: ‘Kom mijn vriend, de bruid tegemoet’; beginwoorden van het lied waarmee de sabbat wordt begroet.lernen: de bijbelboeken en de commentaren daarop bestuderen; ook wel in ruimere zin gebruikt: religieuze teksten voorlezen, stichtelijke woorden spreken.

  • liesjeinei ngofor: gebed bij sterven en begraven; de regels ‘En hij bewijst...’ horen bij een ánder gebed, dat driemaal per dag wordt gezegd.

  • Loofhuttenfeest: vgl. Soekot; zevendaags feest waarbij men in een hutje of prieeltje woont ter herdenking van het verblijf van de joden in de woestijn.

  • Losjoun-Hakoudesj: vgl. lesjoun hakoudesj; de heilige taal, het Hebreeuws.

  • Levieten- afstammelingen van Levi; tempeldienaren
  • Leviraatshuwelijk- zwagerhuwelijk
  • Liberaal jodendom- progressieve richting binnen jodendom
  • Loelav- palmtak of plantenbundel voor Soekot
  • Loelavhouder- houder voor de loelav
  • Mageen Davied- zespuntige davidster, symbool van jodendom
  • magsouriem: vgl. machzouriem; speciale gebedenboeken voor de feestdagen.

  • Malach-hamowes: doodsengel.

  • Ma-nisjtana (mannisjtano): volgens het ritueel op Seideravond moet de jongste van de aanwezigen de vraag stellen ‘Waarin toch is deze nacht verscheiden van andere nachten?’

  • mannensjoel: de mannenafdeling in de synagoge; de vrouwen zaten apart, meestal boven.

  • Manna- brood uit de hemel

  • matse: ongezuurd, ongedesemd brood.
  • Matzekleedje- kleedje om de matzes voor Pesach

  • Mediene- provincie, alles buiten Amsterdam

  • Menora- zevenarmige kandelaar

  • Metaheerhuis- reinigingshuis bij joodse begraafplaats

  • Megilla: (boeken)rol, hier met het verhaal over Esther erop.

  • mesjoegarem-huis: krankzinnigengesticht; vgl. mesjogge: gek, dwaas.

  • metaar-huisje: huisje op de begraafplaats waar een lijk werd gewassen en gekleed.

  • mezoezo: betekent letterlijk ‘deurpost’; vaak fraai versierd kokertje met daarin een opgerold stukje perkament met toepasselijke bijbelteksten erop.

  • mies: lelijk.

  • mikwe: ritueel bad, badhuis van de joodse gemeente.

  • minacho-gebed: middaggebed.

  • minjan: quorum van tien kerkelijk meerderjarige mannen, vereist om gezamenlijk een godsdienstoefening te mogen houden.

  • minnesj-brood: vgl. ook minnisjbrood; zowel bij vlees- als melkspijzen te gebruiken, waterbrood.

  • Misjna: aanvankelijk mondeling overgeleverde commentaren bij de Tora, later opgenomen in de Talmoed.

  • misjpoge: familie.

  • mizrach: betekent letterlijk oosten; bord of plaat aan de wand om de richting van Jeruzalem aan te wijzen; de ook soms voorkomende spelling mirzach is verbeterd.

  • moessaf-gebed: extra gebed.

  • Mongousoer: eig. Mongouz Tsoer; het gaat hier om het lied over de geschiedenis van het joodse volk dat steeds weer is gered uit de handen van zijn vijanden; het wordt gezongen na het ontsteken van het chanoekalicht.

  • morour: bitter kruid; de mierik(s)wortel.

  • Mosjieag: de gezalfde; vgl. de Verlosser, de Messias.

  • moutse: stukje brood, gegeten bij het uitspreken van een lofzegging aan het begin van de maaltijd.

    • Mikwe- ritueel bad
    • Minjan- quorum van tien mannen voor bepaalde gebeden
    • Misjna- leer; verzameling joodse wetten
    • Mitswot- geboden; goede daden
    • Mizrach- oosten; bord dat oostelijke richting aangeeft
    • Moheel- ritueel besnijder
    • Nederlandse Zionistenbond- bond die Nederlandse joden hielp naar Palestina te emigreren
    • Neer tamied- eeuwig brandende lamp
    • neir-tomied: lichtje dat steeds brandend wordt gehouden.neweire: zonde.

    • Neviiem- Neviiem

    • NIHS- Nederlands Israelitische Hoofdsynagoge

    • NIK- Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap

    • Nisan- eerste maand van joods jaar

    • Noach: alleen zijn zoon Cham, die zijn dronken vader had bespot, werd vervloekt.

    • oggenebbiesj: vgl. ook aggenebbiesj; uitroep van medelijden.

    • olewesjo(o)lem: wijlen; letterlijk: vrede zij hem.

    • onbeschrieën: niet gezegd; bijgelovige bezwering van onheil; vgl. afkloppen.

    • Paaschgoed: pannen en serviesgoed, speciaal voor de Paasviering bestemd.

    • parg: scheldwoord; letterlijk: schurfthoofd.parnas: voorzitter van een joodse gemeente; ook: lid van het bestuur; vgl. het meervoud parnassim.

    • parsje: tekstgedeelte uit de Thora; in het bijzonder het stuk tekst dat een dertienjarige jongen hardop in de synagoge moet voorlezen wanneer hij kerkelijk meerderjarig wordt.

    • Pesach/Pésach: het joodse Paasfeest, waarbij de uittocht uit Egypte (zie het bijbelboek Exodus) wordt herdacht.

    • piegem: dwaas, uilskuiken.Poeriemfeest: bij Poeri(e)m ofwel het Lotenfeest wordt uitbundig herdacht hoe de bijbelse figuur Esther de ondergang van haar volk heeft weten te voorkomen.

    • Raaf: vgl. ook raf; opperrabbijn; de soms voorkomende spelling Raäf is verbeterd.

    • Rebbe: godsdienstleraar en raadgever in een joodse gemeente; zijn echtgenote heet de rebbezeente.

    • resjaante: slechte, gemene vrouw; vrouwelijke vorm van rosjoun/roosjong.

    • riesjes maken: vgl. risjes maken, aanleiding geven tot anti-joodse gevoelens.

    • rosjoun: eig. roosjong; booswicht, goddeloze; vaak gezegd van een jodenhater.

    • Rousj-Hasjono: vgl. Rosj Hasjana; het joodse nieuwjaarsfeest.

      • Omer- omertijd, periode tussen Pesach en Sjavoeot
      • Omerkalender- kalender waarop dagen van de omertelling
      • Opperconsistorie- bestuurslichaam van joodse gemeenten
      • Opperrabbinaat- zetel van de hoogste rabbijn van het land
      • Palestina-pioniers- pioniers die in Palestina in de landbouw gingen werken
      • Parnas- bestuurder van joodse gemeente
      • Parochet- gordijn voor kast met Torarollen
      • Pesach- joods paasfeest
      • Poeriem- Lotenfeest
      • Poerimbord- bord voor geschenken met Poeriem
      • Priesterkan en -schaal- schaal of kan voor rituele reinging
      • Rabbijn- joods leraar en rechter in halachische kwesties
      • Rimon- granaatappel
      • Ringsynagoge- joodse gemeente die onder hoofdsynagoge valt
      • Rosj Chodesj- eerste dag van een joodse maand
      • Rosj Hasjana- Joods Nieuwjaar
      • Rouw- joden rouwen zeven dagen, gezeten op (krukjes laag bij) de grond
      • sabbathvrouw: vrouw die op de sabbat voor joden verboden taken verricht zoals het zorgen voor het licht en het vuur.

      • sargenes: doodshemd, doodskleed.

      • schlemazzel: ongeluk.

      • schnooderen: geld toezeggen voor een goed doel.schtosj: ook gespeld als schtoss; malligheid.

      • Sederschotel- schotel bij Pesachmaaltijd

      • Sefardische Joden - joden uit Spanje, Portugal, Midden-Oosten of Noord-Afrika

      • Seideravond: de avondviering waarmee het joodse Paasfeest begint; kan ook betrekking hebben op de tweede avond.
      • Seider- maaltijd op de eerste avond van Pesach

      • Seiderschotel- schotel bij Pesachmaaltijd

      • seifer-tora: wetsrol.

      • seminarium: opleidingsinstituut voor joods godsdienstleraar; vgl. het Nederlandsch-Israëlietisch Seminarium te Amsterdam.

      • siertorens: versiersels met belletjes op de stokken van de wetsrol.

      • Simchas Touro: het feest Vreugde der Wet, dat de afsluiting vormt van een jaar lang lezen uit de Tora.

      • Sjabbes: vgl. ook Sjabbos; nevenvorm van Sjabbat of Sabbat(h).

      • sjammes: soort koster, bode; soms abusievelijk gespeld als sjammos; ook: het oliebakje waarmee op het Chanoekafeest de andere lichtjes worden aangestoken.

      • sjeimets: eigenlijk sjeimes; geloofsbelijdenis, ook uitgesproken bij een sterfbed.

      • sjemang: Sjemang Jisroeil, d.w.z. Hoor, Israël; vgl. de befaamde tekst uit Deut. 6:4, die ook op het rolletje perkament in de mezoezo staat.

      • sjëorjerokous: de verschillende groentes voor Seideravond.

      • Sjewoeous: ook gespeld als Schwoe's; Sjavoeot ofwel het Wekenfeest wordt zeven weken na Pesach gevierd; soms ook aangeduid als Pinksteren.

      • Sjier-Hamahlous: heilige lofzang; zie psalm 126 over de terugkeer uit de ballingschap; ook wel gespeld als Hamma Alous.\

      • sjikse: niet-joods meisje; klinkt enigszins ongunstig.

      • sjiwwe zitten: een dode betreuren door zeven dagen op de grond of een laag stoeltje te zitten.

      • sjoel: synagoge.sjolousjiemmaand: vgl. sjelosjiem, de periode van dertig dagen van rouw.

      • sjoufer: vgl. ook sjoufar; de speciale bazuin waarop met Nieuwjaar wordt geblazen.

      • sjoumer-en-mazzel: [God] zal ons ervoor bewaren.smaus: ook vaak gespeld als smous; vaak gebruikt scheldwoord voor joden.

      • soedes-awro: vgl. soedas-hawroo; maaltijd van brood en eieren, na de begrafenis door de naaste buren van de overledene te brengen.

      • Simchat Tora- feest van Vreugde der Wet
      • Sivan- derde maand van joods jaar
      • Sjabbat- joodse rustdag
      • Sjabbatklok- klok die de duur van sjabbat aangeeft
      • Sjabbatlamp- lamp die al voor sjabbat wordt aangedaan
      • Sjabbatoven- oven om sjabbatspijzen in warm te houden
      • Sjabbatpaal- paal die op sjabbat een bepaald gebied omheint
      • Sjavoeot- Wekenfeest
      • Sjema- een van de belangrijkste joodse gebeden
      • Sjemini Atseret- slotfeest van Soekot
      • Sjemonee esree- Achttiengebed
      • Sjevat- elfde maand van joods jaar
      • Sjnoderboek- registratieboek van giften voor goede doelen
      • Sjoelchan Aroech- codex van joodse wetten en regels
      • Sjofar- ramshoorn
      • Soeka- loofhut
      • Soekot- Loofhuttenfeest
      • Spinoza
      • Synagoge- joods gebedshuis
      • Synagogedienst- dienst (op sjabbat) in synagoge
      • Tachrichien- doodskleren
      • talles: vgl. tallies/talliet ofwel: gebedskleed, gebedsmantel, met aan de hoeken schouwdraden ofwel gedenkkwasten; ook wel gebruikt als huwelijksbaldakijn.

      • Talmoed: gezaghebbende verzameling verklaringen en commentaren van joodse geleerden bij de T(h)ora.

      • tarfes: voor joden ongeoorloofd, niet koosjer voedsel; vgl. ook treife.

      • Talliet- vierkante gebedskleed met kwasten aan hoeken
      • Talmoed- gezaghebbend joods boek met commentaren en discussies
      • Tammoez- vierde maand van het joodse jaar
      • Tazza- collecteschaal voor Poerimgiften
      • Tefillien- gebedsriemen
      • tefilles: gebedenboeken; ook: de gebeden zelf.

      • tegoem: grens, gebied; vgl. de afstand die op sabbat maximaal mag worden afgelegd.

      • teinis: vgl. teines; vasten, vastendag.
      • teire: rituele reiniging.
      • Tenach- Oude Testament, joodse bijbel
      • temije: vgl. temeie; onreine vrouw, hoer.
      • Tevet- tiende maand van joods jaar
      • Thora: vgl. ook Tora; eigenlijk de vijf boeken van Mozes; ook wel gebruikt als benaming van de hele joodse ‘bijbel’ ofwel de Tenach.
      • Tien Geboden- basis van de joodse wet, in Tora
      • tillem: vgl. tehilliem, d.w.z. de psalmen.
      • Tisja be'av- vastendag op 9 av
      • Tisjngo etc.: negen zijn de maanden van de zwangerschap.

      • Tisjri- zevende maand joods jaar
      • Toe Bisjvat- Nieuwjaarsfeest van de bomen, op 15 sjevat
      • Tora- eerste vijf boeken van Oude Testament; joodse wet
      • Torahuls- kastje voor de Tora
      • Torakroon- kroon die de Torarol versiert
      • Toramantel- omhulsel van de Torarol
      • Torarol- perkamenten rol waarop de Tora geschreven staat
      • Toraschild- schild dat op de Toramantel hangt
      • Torawikkel- stoffen strook voor het oprollen en opbrengen van de Torarol
      • treife: volgens de joodse spijswetten onrein, verboden.
      • Tsjingo-baäf: eigenlijk Tisj'o be-aw, d.w.z. de negende dag van de maand
      • Uza: bijbelse figuur die met de dood werd gestraft omdat hij de Ark des Verbonds had aangeraakt, ook al was dat met goede bedoelingen.
      • verschteerde: bedierf het plezier.
      • Wasfontein- fonteintje voor ritueel handenwassen
      • Zionisme- het streven van joden naar een eigen staat in Zion
      • zoeziem: verbastering van susiem, dat paarden betekent.